"Al die data heeft meer relevantie gekregen"

Sina Salim is één van de zes innovatiemakelaars bij Stichting Regionaal Centrum voor Technologie (RCT) in Gelderland. Als regiomanager voor de regio FoodValley en Noord-Veluwe helpt hij foodbedrijven en andere ondernemers in de regio met hun innovatie op het gebied van Smart Industry en Circulaire Biobased Economie. “In de wirwar van financieringsregelingen en samenwerkingsverbanden help ik het mkb om hun innovatie-ambities te realiseren.”

Sina Salim helpt bedrijven met vragen en knelpunten bij het testen van nieuwe processen, producten en opschaling. “Op de weg van vinding naar markt”, vertelt hij. “Afhankelijk van de vraag bewandelen we daarvoor verschillende paden. Startpunt is altijd erachter komen welke specifieke kennis de ondernemer nodig heeft voor zijn vraagstuk, om daarna te bepalen wáár die expertise te vinden is. We hebben een uitgebreid netwerk, binnen en buiten onze eigen vakgebieden, met bedrijven, kennisinstellingen en overheden.”

Komen er veel vragen uit de voedingsindustrie? Is de innovatiedrang groot?

“De voedingsindustrie heeft de naam conservatief te zijn. Dat is niet voor niets; de branche is gebonden aan strenge wetgeving, waardoor ze het niet ‘even’ wat anders kunnen doen. Toch is het een van de meest innovatieve sectoren in dit land. Juist omdat de producten foodgrade moeten zijn, gelden er strenge hygiënevoorschriften. Elke hand die níet in contact komt met het product, is daarmee een zorg minder. Van oudsher is de automatiseringsgraad daardoor hoog. Bovendien heeft de branche te maken met grote volumes en relatief kleine marges. Door de hoge lonen in Nederland is het sowieso moeilijk om alles manueel te doen, en de concurrentie tussen bedrijven wordt steeds groter. Genoeg redenen om te automatiseren en digitaliseren.” 

Met welke vragen en knelpunten kloppen bedrijven bij RCT aan?

“Heel vaak hebben die te maken met vraagstukken rondom het productiesysteem. Het mkb wil de arbeidsproductiviteit verhogen, efficiënter, goedkoper en zuiniger produceren; dat is de rode draad in het type vraag dat we krijgen. Soms is een vraag met één telefoontje beantwoord, met andere vragen zijn we langer bezig. Een veelvoorkomend struikelblok op dit moment is dat de software van machines en applicaties in de productie, niet goed op elkaar aansluiten. Er is bijvoorbeeld een robotarm geïnstalleerd, maar de software matcht niet met de rest van de productielijn en de leverancier kan zelf niet het gewenste resultaat leveren. Ons wordt dan gevraagd te helpen met het vinden van een systeemintegrator die dat wél kan.”

Of een bedrijf wil een nog niet bestaand product doorontwikkelen, wat vraagt om een flinke investering met een groot risicokapitaal. Wij weten welke investeringen subsidiabel zijn en welke financieringsmogelijkheden er zoal zijn. Oost NL, de ontwikkelmaatschappij van Oost-Nederland, heeft bijvoorbeeld middelen voor haalbaarheidsonderzoek en risicodragende investeringen. We kunnen ondersteuning bieden bij het aanvragen en indienen van een subsidie-aanvraag, of voor een Rabo Innovatielening, een product dat speciaal in het leven geroepen is voor Nederlandse startende ondernemers die niet in aanmerking komen voor een bancaire lening omdat er nog geen bewezen resultaten zijn en/of geen cash flow is. Er zijn daarnaast allerlei samenwerkingsverbanden die innovatie stimuleren, en kennis- en/of onderwijsinstellingen als het gaat om een vraag voor fundamenteel onderzoek, waarmee we bedrijven in contact kunnen brengen.”

Wat zie jij als een van de grootste veranderingen van de laatste tijd?

“Dat de voedselverwerkende industrie eigenaar is van een gigantische databank aan informatie. Productiebedrijven zitten inmiddels vol sensoren, camera’s, gewichtsmeters, enzovoort. Tot 5 à 10 jaar geleden had het verzamelen van data vooral een administratief karakter. De wetgever bepaalde dat de gegevens bewaard moesten worden voor kwaliteitscontroles en als er iets misgaat. Sinds de opkomst van Kunstmatige Intelligentie (KI) heeft die data meer relevantie gekregen; je kunt er voorspellingen mee maken, vraag en aanbod beter op elkaar laten aansluiten, productiestappen efficiënter maken…”

‘De voedselverwerkende industrie is eigenaar van een gigantische databank aan informatie’

Sina Salim

Een heel nieuwe techniek is ‘digital twinning’. Vroeger, als je een idee had voor een nieuwe productielijn, maakte je deze eerst op kleine schaal en ging je proefdraaien. Je voerde waar nodig verbeteringen door. Als je uitgetest was, bouwde je de lijn in het groot na. Tegenwoordig is het mogelijk om de hele productie-omgeving volledig digitaal na te bootsen tot op zeer gedetailleerd niveau. Dat kan dankzij al die sensoren in de fabriek die data verzamelen; zonder betrouwbare data en de beschikbaarheid ervan is het niet mogelijk om een goed model te maken. Heb je eenmaal een goed tweelingmodel, dan kun je daarin vervolgens virtueel vanalles veranderen en aanpassen, diverse scenario’s doorlopen en berekenen wat daarvan het effectief is.”

Wordt deze techniek in de voedingsindustrie al toegepast?

“Jazeker! Een kaasverpakker belde ons op met een probleem: in zijn bedrijf werd veel weggegooid. Dat kwam zo: in de productielijn werden plastic bakjes op de lijn gezet; een robothand legde daarin gesneden plakken kaas; dat werd afgedekt door een bovenlaagje plastic en tot slot werd de verpakking geseald. De plaatsing van de kaasplakken was echter niet altijd nauwkeurig: soms kwam een plakje kaas tussen het bakje en de seal, die dan dus niet werd gesloten. De kaasverpakker had wel een heel geavanceerd camerasysteem dat per verpakking een foto nam en intelligent genoeg was om te beslissen:

Sina Salim, innovatiemakelaar RCT Gelderland, regio Vallei

voldoet deze verpakking aan de eisen, of niet? Op basis van de uitkomst pikte een andere robotarm de foute verpakkingen van de band en gooide die in de prullenbak. De kaasverpakker wilde het foutpercentage naar nul brengen. Maar hoe? Er bleek voldoende data gegenereerd te worden om een digitaal tweelingmodel te maken. De robotarm stuurde vervolgens continu in real time informatie naar dit tweelingmodel, dat daardoor steeds levensechter werd. Met het tweelingmodel werden virtueel testen gedaan om de beweging te verfijnen en zo fouten te voorkomen. De echte robotarm ontving die informatie van zijn digitale tweelingbroer en leerde van de simulaties. Zo ‘wist’ ook hij wat er wanneer in de aansturing moest veranderen om fouten te voorkomen. Als je bedenkt dat één procent efficiëntie in de productie al gauw tot tonnen besparing leidt, begrijp je dat het de investering waard is.”

Nederland is een land dat bij uitstek geschikt is voor startups, maar het lukt bedrijven vaak niet om de stap naar opschaling te maken. Hoe komt dat?

“Klopt, we zien de ene na de andere start-up verhuizen naar het buitenland; onder andere naar de VS, Duitsland en Israël. Een van de struikelblokken is het krijgen van kapitaal. Om op grotere schaal te gaan produceren is funding nodig. De bank of overheid die besluit te investeren, kan kiezen: voor jou – met je goede businesscase om op te schalen naar een full scale productiesysteem-, of voor die start-up van een net afgestudeerde  PHD-student – met een relatief wankelende businesscase maar een heel goed idee. De afgestudeerde student vraagt een ton, jij het driedubbele. De keuze valt dan vaak voor de kleinere investering. Voor kapitaaldragende partijen in Nederland blijkt er in hun huidige risicorekenmodel weinig begrip voor jonge bedrijven met innovatiedrang die willen opschalen. In landen als VS, Duitsland en Israël worden dit soort nieuwe bedrijven veel beter begrepen en begeleid.”

“Een ander struikelblok voor opschaling is de Nederlandse wetgeving. Een typisch voorbeeld daarvan is de startup die een nieuwe scheidingstechnologie had ontwikkeld voor medicinale cannabis. Normaliter worden de actieve stoffen via zwaar chemische en milieuvervuilende / organisch oplosmiddellen geëxtraheerd. Deze start-up had een fundamenteel ander productiesysteem bedacht dat  minder milieuvervuilend was, en toch een product opleverde met een zuiverheid van 99,999 procent. Het productiesysteem zou een fractie kosten van de gebruikelijke methode. In Nederland is regulering van cannabis voor regulier gebruik heel strikt, en voor medicinaal gebruik nog strikter. Slechts enkele verwerkers hebben een vrijstelling gekregen van het Ministerie van Landbouw. Deze bedrijven hebben daardoor een soort monopoliepositie. Het bedrijfje wilde opschalen, maar kwam niet door het moeras van wetgeving en vergunningen heen; of wij konden helpen. We hebben het geprobeerd, maandenlang; via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, via Economische Zaken en Klimaat, via allerlei kanalen verrichten we heel veel lobbywerk. We opperden of het misschien mogelijk was een soort van Green Deal te sluiten? Of een pilot te starten; niet zozeer om tot het einde der tijden een vrijstelling te krijgen, maar vooral om de komende drie-vier jaar de techniek te kunnen doorontwikkelen, zodat ze konden laten zien dat ze de kwaliteitseisen kunnen borgen. Het is helaas niet gelukt. Uiteindelijk is deze start-up naar Berlijn vertrokken. De wetgeving in Duitsland is anders, daar krijgen ze alle medewerking. Heel frustrerend voor ons.

“Zo zijn er talloze voorbeelden van Nederlandse bedrijfjes die naar het buitenland zijn vertrokken en later heel succesvol werden. Dat knaagt, bij overheden maar ook bij de banken. Er komt wel beweging in. Men beseft: er zitten parels in die vijver van start-ups die we niet zomaar kunnen laten uitvliegen.”

‘Er zitten parels tussen die we niet zomaar kunnen laten uitvliegen’

Sina Salim
SINA SALIM Sina studeerde en promoveerde in Wageningen in Bioprocestechnologie. In die periode was zijn vakgroep nauw verweven met de vakgroep Levensmiddelentechnologie. Na zijn promotie werkte hij onder meer als Expert en Projectmanager bij Bioprocess Pilot Facility en Royal HaskoningDHV en als Manager Business Development bij InnovatieLink, onderdeel van het Topsectorenbeleid van de directie Innovatie en Kennis van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Daarnaast was hij lid van het Topteam Chemie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Als bestuurslid was hij actief voor verschillende organisaties, zoals de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (Jong KNCV), en de Young Royal HaskoningDHV. Ook was hij verantwoordelijk voor de internationalisering van het Onderwijsinstituut van Wageningen Universiteit. Momenteel is hij naast zijn baan bij RCT commissaris bij een lokale Rabobank.

Dit interview verscheen eerder in vakblad Voedingsindustrie.

Bekijk alle nieuwsitems